De gelijkenis van de ontrouwe dienaren
Markus 11:26-33 12:1-12
26 ‘Als je echter niet vergeeft, zal ook je Vader in de hemel jouw zonden niet vergeven.’* 27 Zij kwamen in Jeruzalem. Terwijl Hij over het tempelplein wandelde, stapten de mannen van de Hoge Raad op Hem toe. 28 Zij zeiden tegen Hem: ‘Over gisteren; waar haalt U de moed vandaan om hier zo tekeer te gaan? Wie geeft U het recht zo op te treden?’ 29 ‘Ik heb ook een vraag’, zei Jezus, ‘geef Mij daar eerst eens antwoord op. Dan zal Ik u vertellen wie Mij het recht geeft dit allemaal te doen. 30 Zeg eens: Doopte Johannes in opdracht van God of niet?’ 31 Zij wisten geen raad met deze vraag en zeiden tegen elkaar: ‘Als we ja zeggen, zal Hij vragen: ‘Waarom hebben jullie hem dan niet geloofd?’ 32 Maar we kunnen ook niet nee zeggen, want dan krijgen we last met de mensen. Die zijn er allemaal van overtuigd dat Johannes de Doper een profeet was.’ 33 Daarom zeiden zij maar dat ze het niet wisten. ‘Wel’, antwoordde Jezus, ‘dan vertel Ik u ook niet wie Mij het recht geeft dit allemaal te doen.’ 1 Jezus vertelde een gelijkenis: ‘Iemand legde een wijngaard aan en zette er een muur omheen. Hij maakte een bak voor het persen van de druiven en bouwde ook nog een uitkijktoren. Hij verhuurde de wijngaard aan enkele boeren en ging het land uit. 2 In de oogsttijd stuurde Hij één van zijn knechten naar de boeren om de huur op te halen. 3 Maar zij grepen hem, gaven hem een pak slaag en stuurden hem met lege handen terug. 4 De eigenaar stuurde een andere knecht, maar die kreeg er nog meer van langs. De boeren sloegen hem een gat in zijn hoofd. 5 De eigenaar stuurde nog een knecht en die moest het met zijn leven bekopen. Daarna stuurde hij nog vele anderen, maar ze werden stuk voor stuk mishandeld of vermoord. 6 Nu had hij alleen nog zijn zoon, zijn oog-appel. Tenslotte stuurde hij hem, want hij dacht bij zichzelf: ‘Voor mijn zoon zullen zij wel respect hebben.’ 7 Maar de boeren zeiden tegen elkaar: ‘Als zijn vader sterft, krijgt die jongen de hele boel. Kom, we slaan hem dood, dan is de wijngaard van ons!’ 8 Zij grepen hem, sloegen hem dood en gooiden hem over de muur. 9 Wat zal de eigenaar van de wijngaard doen, als hij dit hoort? Zal hij die boeren niet hun verdiende loon geven en uit de weg ruimen? De wijngaard zal hij aan andere mensen geven. 10 U hebt vast wel eens in de Psalmen gelezen: ‘Nu blijkt hoe de steen die door de bouwvakkers werd weggegooid, een echte hoeksteen is geworden. 11 De Here heeft daarvoor gezorgd en wij zien het als een groot wonder’.’** 12 De mannen van de Hoge Raad begrepen wel dat dit verhaal op hen sloeg. Zij zouden Hem het liefst meteen gevangen nemen. Maar zij durfden niet, omdat zij bang waren dat het volk het niet zou nemen. Dus lieten zij Hem met rust en gingen weg. *In sommige manuscripten ontbreekt vers 26 **Psalm 118:22,23