Jezus stuurt de zeventig discipelen op pad
Lukas 10:1-24
1 Jezus wees nog zeventig andere discipelen aan. Hij stuurde hen twee aan twee vooruit naar de dorpen en steden waar Hij langs zou komen. 2 Hij zei tegen hen: ‘Vraag God meer arbeiders te sturen om de oogst binnen te halen. Want de oogst is groot, maar er zijn te weinig arbeiders. 3 Ga dan en vergeet niet dat Ik jullie er op uitstuur als lammeren tussen de wolven. 4 Neem geen geld mee, geen tas en zelfs geen extra schoenen. Ga recht op je doel af. 5 Breng vrede in elk huis dat je binnengaat. 6 Woont daar een vredelievend man, dan zal je vrede over hem komen. Zo niet, dan komt die vrede bij je terug. 7 Wanneer je in een dorp komt, ga dan niet van het ene adres naar het andere. Blijf logeren in hetzelfde huis en eet en drink wat je wordt voorgezet. Geniet gerust van de gastvrijheid. Een arbeider moet zijn loon hebben. 8 Als jullie in een stad gastvrij worden ontvangen, moet je dit doen: Eet zonder bezwaar wat je wordt voorgezet. 9 Genees de zieken. En zeg tegen de mensen dat het Koninkrijk van God heel dichtbij is gekomen. 10 Maar als ze in een stad niets van jullie willen weten, ga dan door de straten en zeg: 11 ‘Kijk, dit is stof van jullie stad! Wij schudden het van onze voeten! Het is afgelopen met jullie! Vergeet nooit hoe dicht het Koninkrijk van God bij jullie is geweest!’ 12 Op de vreselijke dag van het grote oordeel zal het voor zo’n stad erger zijn dan voor het beruchte Sodom. 13 Och Chorazin! Och Bethsaïda! Hoe verschrikkelijk is het! Want als de steden Tyrus en Sidon de geweldige wonderen hadden gezien die Ik bij u heb gedaan, dan zouden zij zich allang van de zonde hebben afgekeerd. Van berouw over hun slechte leven zouden zij in zak en as zitten. 14 Nee, voor Tyrus en Sidon zal het op de dag van het grote oordeel niet zo zwaar zijn als voor u. 15 En wat moet Ik van Kapernaüm zeggen? Zal het worden verheerlijkt tot in de hemel? Nee, het zal worden vernederd tot in de dood.’ 16 Tegen Zijn discipelen zei Hij: ‘Wie naar jullie luistert, hoort Mij. Wie jullie negeert, negeert Mij. En wie Mij negeert, negeert God Die Mij heeft gestuurd.’ 17 Na verloop van tijd kwamen de zeventig discipelen weer bij Hem terug. ‘Here’, zeiden zij opgetogen, ‘als wij Uw naam gebruiken, doen zelfs de boze geesten wat wij zeggen!’ 18 Hij antwoordde: ‘Ik zag satan als een bliksemschicht uit de hemel vallen. 19 Ik heb jullie macht gegeven over al de krachten van de vijand. Jullie zullen slangen en schorpioenen vertrappen. Niets, werkelijk niets, zal jullie kwaad doen. 20 Maar het belangrijkste is niet dat de boze geesten doen wat jullie zeggen. Waar jullie vooral blij om moeten zijn, is dat jullie namen in de hemel geregistreerd staan.’ 21 Op dat moment bracht de Heilige Geest in Jezus een geweldige blijdschap teweeg. Hij sprak: ‘Vader! Heer van hemel en aarde! Wat geweldig dat U deze dingen hebt verborgen voor intellectuelen en geleerden. Maar U hebt ze bekendgemaakt aan kleine kinderen. 22 Dank U, Vader. Zo hebt U het gewild. Mijn Vader heeft Mij alles toevertrouwd. Niemand weet wie Ik ben, behalve de Vader. En niemand weet wie de Vader is, behalve Ik en de mensen aan wie Ik het wil bekendmaken.’ 23 Daarna keek Hij Zijn discipelen aan en zei: ‘Het is een enorm voorrecht dat jullie dit allemaal mogen zien. 24 Vele profeten en koningen hebben ernaar gehunkerd te zien wat jullie zien en te horen wat jullie horen.’