Member details
Gebruikersnaam
Wachtwoord
 
Wachtwoord vergeten?
 
 

De dood: boeiender dan je denkt

 

Rijke stinkerds: die uitdrukking hebben we overgehouden aan de eeuwenlange praktijk om in de kerk te begraven en de term geeft precies aan wat er dan gebeurde….
Het waren vooral de welgestelden die zich een graf onder de kerkvloer konden permitteren en daarbij gold: hoe dichter bij het altaar hoe liever maar dat waren ook de duurste plaatsen. De Franse tijd maakte een einde aan deze ongewenste toestand waar veel mensen al langer tegen protesteerden maar pas in 1829 werd het officieel verboden om in de kerk te begraven. Toen ontstonden de begraafplaatsen en dat is het aandachtsveld van de vereniging De Terebinth die zich inzet voor het behoud daarvan. Deze vereniging geeft dit boek uit t.g.v. haar 25-jarig bestaan.
Door Evert van der Veen (predikant Protestantse gemeente Nunspeet)
Uit heel het boek spreekt de liefde voor alles wat met het laatste afscheid heeft te maken: de graven, de wijze van afscheid nemen, het rouwproces, de middelen die mensen daarbij gebruiken. Het boek biedt dan ook een prachtig overzicht van de huidige stand van zaken hoe dit in al z’n diversiteit plaatsvindt en blikt ook vooruit naar hoe dit er in de toekomst zal uitzien (vandaar de titel).

Opmerkelijk is de bijdrage van Anne van der Meiden die moeite heeft met de term nabestaanden en uitlegt waarom hij pleit voor het woord voortbestaanden. In een ander hoofdstuk worden de Joodse gebruiken uitgelegd; hier speelt de gemeenschap van mensen een belangrijke rol in het afscheid en zijn er ook duidelijke fasen in het rouwproces aanwezig waaraan men zich houdt. Bijzonder is de bijdrage over duurzaamheid en begraven. Ook is er aandacht voor natuurbegraafplaatsen die met name in Groot Brittannië veel voorkomen; in ons land is het aantal daarmee vergelijken toch wel bescheiden.

Het taboe op de dood is voorbij: dat wordt in vele bijdragen wel duidelijk. De tijd dat we zo weinig mogelijk aandacht aan het afscheid besteedden, ligt achter ons. De persoonlijke betrokkenheid is groot en lijkt nog steeds toe te nemen, de variatie qua invulling eveneens want er is steeds minder sprake van een eenduidige – christelijke – traditie die hierin voorschrijft ‘hoe het hoort’.

‘Door de ontkerkelijking en individualisering zien we niet minder maar juist meer en variabele rituelen op verschillende locaties’, pag 81. In een andere bijdrage wordt zelfs gesproken over ‘uitvaartbevrijding’ waarmee wordt bedoeld dat er geen – soms drukkende - verplichting meer is van de gewoonte waaraan mensen zich dienen te houden. Er is dan ook een sterk gegroeide ruimte aan persoonlijke beleving en eigen invulling van het afscheid.

We zien dat ook binnen de kerkelijke afscheidsdienst: het woord zelf is ook veranderd. Het woord rouwdienst wordt weinig meer gebruikt; afscheidsdienst en dankdienst zijn ervoor in de plaats gekomen. Keuze van muziek, bloemen, kaarsen, persoonlijke herinneringen hebben meestal een plaats in de dienst en geven er een andere kleur aan dan vanouds gebruikelijk was.

‘Het sleutelwoord dat al deze veranderingen samenvat is ‘persoonlijk’. De persoonlijke uitvaart, het is inmiddels een behoorlijk afgezaagde term, maar zoals clichés ook maar al te waar zijn, geeft het wel precies weer waar het om gaat: er wordt bij het vormgeven aan een uitvaart gekeken naar de overledene en nabestaanden. Wie was de overledene en wat past er bij hem of haar? Wat kunnen en willen de nabestaanden zelf bijdragen? Het is tegenwoordig een vanzelfsprekendheid dat de vorm en inhoud van een uitvaart in eerste instantie een zaak is van de nabestaanden en niet van de uitvaartondernemer’, pag 49 – 50.

Bijzonder is het hoofdstuk over de zgn. post-mortemfotografie van de directeur van het uitvaartmuseum Tot Zover in Amsterdam en ook het pleidooi om Allerzielen op de erfgoedlijst van Unesco te plaatsen. Ook dat is een nieuwe ontwikkeling: de toenemende belangstelling voor deze dag op 2 november waarin de overledenen worden herdacht en er op steeds meer plaatsen bijeenkomsten op begraafplaatsen of in kerkgebouwen plaatsvinden.
‘Terwijl de uitvaart steeds persoonlijker werd in de laatste decennia, werd de uitvaartondernemer steeds professioneler. Uitvaartvernieuwers waren niet zelden hoger opgeleiden die in de uitvaartwereld een tweede carrière zijn begonnen. Dit is een groot verschil met vroeger tijden, toen de koster van de kerk het begraven ‘er bij deed’. Het vak is de laatste decennia geprofessionaliseerd en heeft een opwaardering ondergaan. Opleidingen zijn aanmerkelijk beter geworden’, pag 50 – 51.

Dit alles maakt dat begraafplaatsen in onze beleving van karakter zijn veranderd: niet alleen maar een rustplaats van de doden (waar we met een veilige boog omheen liepen) maar een gedenkplaats van nabestaanden. We zien dat aan de teksten op de grafstenen die persoonlijker zijn geworden en aan de voorwerpen die er bij worden geplaatst: lichtjes, planten, voorwerpen uit het dagelijks leven, speelgoed (bij kinderen).
Dit mooi verzorgde en rijk geïllustreerde boek biedt een mooie introductie op het laatste afscheid en in de grote verscheidenheid aan onderwerpen wordt ook zichtbaar hoeveel aspecten daarmee verbonden zijn.
Rindert Brouwer en Peter Henssen: Over 25 jaar. De toekomst van de funeraire cultuur. Uitgave: Vereniging De Terebinth, 154 pag. € 25.00
Het boek is te bestellen via www.terebinth.nl

 

Tags